Op 26 april 2004 schreef ik dit essay voor een examen:
De stelling die met dit essay tracht bevraagd te worden, luidt: het 'einde van de metafysica' valt niet te verwachten, want filosofen die het 'einde van de metafysica' afkondigen formuleren aanspraken met verborgen metafysische vooronderstellingen. Anders gezegd: er is geen ontsnappen aan de metafysica, omdat elk spreken over metafysica een zekere visie op metafysica vooronderstelt en in die zin niet het einde van de metafysica kan aankondigen, maar slechts een andere vorm van metafysica vooropstelt. In die zin kan het einde van de metafysica onmogelijk verwacht worden, omdat elke mogelijke verwachting bijdraagt tot het uitblijven van die verwachting. Goed, zover zijn we.
Laten we deze stelling nu verder analyseren, zodat we enkele vragen kunnen formuleren die bepaalde elementen uit de gestelde structuur van een andere betekenis bedienen dan die die door een naive lectuur wordt voorondersteld. Want in de lectuur van deze stelling wordt voorondersteld dat we duidelijk kunnen bepalen wat het woord 'metafysica' betekent. Zou 'metafysica' vandaag transcendentaal idealisme heten en morgen absoluut idealisme, dan zou communicatie over onze stelling onmogelijk worden. We hebben dus nood aan een door de tijd heen zichzelf blijvende betekenis van het woord 'metafysica', willen we dit woord gebruiken in een keten van andere woorden, zoals bijvoorbeeld in onze beginstelling. Mischien biedt een blik op de verschillende metafysische systemen meer duidelijkheid over de betekenis van het woord 'metafysica'?
Hoe wordt 'metafysica' bij hen ingevuld, waarbij 'hen' een allegaartje van eigennamen betekent dat rond het woord 'metafysica' geassocieerd wordt? Geen goed antwoord echter op die vraag, want de geschiedenis van de 'metafysica' laat ons zien dat die betekenisgeving niet constant is. De verschillende metafysische systemen varieren sterker, soms zwakker van elkaar, afhankelijk van welke historische lijn geconstrueerd wordt als rode draad in de boeken over de geschiedenis van de metafysica. Maar deze historische vormgeving van 'metafysica' mag dan wel aanleiding geven/gegeven hebben tot verhitte debatten over de ware metafysica, dát er gediscussieerd wordt over 'metafysica', dat valt moeilijk te ontkennen. Zoniet zouden we deze debatten niet categoriseren onder de noemer 'metafysica', maar bijvoorbeeld onder het politieke of esthetische domein van onze cultuur. Kortom, het lijkt zo dat er geschiedenisboeken van metafysica bestaan en dat daarom 'metafysica' betekenisvol is. Dat we ze rangschikken als metafysische discussies is m.a.w de enige zekerheid die we hebben in de betekenisgeving van 'metafysica'. Echter, opnieuw, geen enkel metafysisch systeem op zich, maar slechts de vooronderstelde criteria van de discussies over metafysische systemen, lijken enige duidelijkheid te bieden in ons begrijpen van het woord 'metafysica'.
Een oplettende lezer heeft opgemerkt dat deze analyse van onze stelling zich voltrekt met een bepaalde richting. Ik zal open kaart met u spelen, in de mate van het mogelijke, natuurlijk. De richting waartoe deze woordenketen, geassocieerd rondom onze stelling, zich beweegt, kan geduid worden als een discussie over de betekenis van het post-metafysisch denken; een denkstijl die in onze stelling onmogelijk verwacht geacht wordt. Of die stelling waar dan wel onwaar is, laten we momenteel buiten beschouwing. Laten we eerst nagaan hoe de constructie 'post-metafysische denken' betekenisvol kan zijn. Daarna zullen we onze stelling en deze constructie vergelijken. Om betekenis te geven aan onze constructie hanteren we dezelfde strategie i.v.m 'metafysica', d.w.z, een functionele analyse van deze constructie in haar historische context.
Die context behelst opnieuw de geschiedenisboeken, nu 'cursussen' en 'publicaties' genoemd. In deze 'hedendaagse' geschiedenisboeken wordt er i.v.m het 'post-metafysische denken' verschillende -ismen en eigennamen geassocieerd. Omwille van relevantie en complexiteitsreductie selecteren we enkele aspecten van die associatie. Vooreerst wordt in de 'cursussen' en 'publicaties' van filosofische instituten - we gebruiken het HIW als typevoorbeeld, ook al is dat ongerijmd - de (hedendaagse) stromingen in het wijsgerig landschap gekarakteriseerd a.d.h.v. paradigmatische breuken, die zorgen voor onderbrokenheid van de historische groei van kennis, waarbij steeds wordt benadrukt dat het proces van kennis geen accumulatie, maar eerder dissociatie behelst. Inhoudelijk geeft dit aanleiding tot formuleringen als 'wende'. Men karakteriseert namelijk de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte a.d.h.v. de subjectieve wende met Descartes, de transcendentale wende met Kant en de linguïstische wende met Wittgenstein en Derrida. Bij de laatstgenoemde wende wordt dan vermeld dat er een kloof bestaat in het wijsgerig landschap, die benoemd wordt met de notie van 'two cultures'; de onverzoenbaarheid van de analystische wijsbegeerte en de continentale wijsbegeerte. Daarbij wordt dan ook duidelijk gemaakt dat de metafysica dood is, d.w.z, ze heeft zichzelf uitgeput, waarbij Hegel als typevoorbeeld wordt genomen van de verwerpelijke rationalisering van de geschiedenis in circulaire vorm. Ook wordt de verdachtmaking van de metafysica gethematiseerd, a.d.h.v. het ontstaan van de moderne wetenschap en de filosofen der verdachts, om uiteindelijk terecht te komen in de hedendaagse toestand van postmoderne onoverzichtelijkheid. Tot zover de inhoudelijke boetsering van de historische lijn tot het 'post-metafysische denken', geselecteerd op relevantie van onze poging betekenis te geven aan 'post-metafysisch denken'. Maar wat is nu 'post-metafysisch denken'?
Het antwoord op die vraag geven we, alleen nadat we hebben duidelijk gemaakt dat de wijze van vraagstelling al een zekere visie op 'post-metafysisch denken' behelst. Want in de bevraging van onze constructie zijn er verschillende instrumenten beschikbaar, waarvan we er twee isoleren, met name, 'wat' en 'hoe. ''Wat' is 'post-metafyisch denken'?' is een vraag naar een watheid die schuilt in de datheid van die watheid, zelfs, de watheid zou meer duidelijkheid verschaffen over de datheid van die watheid, d.w.z., scholastisch geformuleerd, in een essentie van een existentie ligt de existentie van de essentie besloten. Anders gezegd: de schijn van zijn kan ons nog steeds toegang verschaffen tot het niet-schijngehalte van zijn. U merkt het, hier raken we een fenomenologisch denken aan. Om complexiteit te vermijden merken we dit gewoon mee op en maken we duidelijk dat in de hedendaagse toestand van postmoderne onoverzichtelijkheid de fenomenologische denkstijl gehanteerd wordt in de continentale wijsbegeerte en in de analytische wijsbegeerte geblasfemiseerd wordt en/of gedemarkeerd wordt als 'common sense', met haar eigen levensnoodzakelijke, doch daarom niet logisch noodzakelijke, waarde. Kortom, de wat-vraag wordt vandaag gethematiseerd als de fenomenologische denkstijl, een denkstijl die tweevoudig geapprecieerd wordt in het wijsgerige landschap, zich tonend in de 'two cultures' in de hedendaagse wijsbegeerte. Die appreciatie wordt meestal verschillend geacht in zoverre de analytische wijsbegeerte zich 'logisch' een weg wil banen door de postmoderne onoverzichtelijkheid, terwijl de continentale wijsbegeerte eerder een 'psycho-sociologica' hanteert. Beiden lijken echter bij te dragen aan de onoverzichtelijkheid.
Laten we ons nu keren tot het tweede instrument dat we gebruiken om betekenis te geven aan 'post-metafysische denken', namelijk, hoe is 'post-metafysische denken' mogelijk? Dit lijkt een rare formulering te zijn en dat is het ook. Want het vraagwoord 'hoe' bevraagt haar subject in termen van functie en niet in termen van imaginaire substanties. Hoe fungeert dit element, in ons geval de constructie van 'post-metafysisch denken'? Dit moet ons niet tot mystieke bevreemding brengen, maar kán beantwoord worden, in dien verstande, dat geen enkel antwoord definitief is, d.w.z., dat geen enkel antwoord het antwoord is, maar slechts een antwoord is. Want als we zoeken naar definitieve antwoorden, blijven we eeuwig zoeken. Dus als we zoeken naar contingente antwoorden, dan kunnen we op zoek gaan naar nieuwe vragen. In die zin incorporeert ook de functionele analyse in termen van 'hoe'-vraagwoorden de fenomenologische denkstijl, echter op een andere manier dan de appreciaties zoals die zich tonen in de analytische en continetale wijsbegeerte. De functionele analyse tracht immers niet een antwoord te bieden aan haar vraag, maar onderzoekt de wijze waarop de beantwoording van de vraag, waarin in ons geval het 'post-metafysische denken' bevraagd wordt, mogelijk gesteld kan worden. En in die zin stelt ze die mogelijkheid als antwoord op de vraag. Het klinkt paradoxaal. En dat is het ook. Maar functionele analyse is noodzakelijk om een antwoord te bieden op een andere veel gestelde vraag: wat na deconstructie?
Deconstructie was het paradepaardje van de continentale wijsbegeerte. D.m.v. een herlezing van de tekstuele traditie werden verdachte motieven van onder het stof gehaald en ter proces gebracht t.a.v. de ahistorische geldigheid van de teksten die die motieven tot resultaat hadden. Weg met de auteur als geaddreseerde eigenaar van teksten en welkome de contingente omstandigheden als nieuwe, anonieme bron van traditie! Maar deconstructie bracht geen redding. Want onderhand is van de deconstructie van de traditie ook al een traditie van deconstructie ontstaan. Er valt in die zin niet te ontsnappen aan de traditie en het is dan ook duidelijk dat, vanuit continentaal perspectief, onze stelling aangaande het 'einde van de metafysica', waar is. Maar, zoals gezegd, de continentale wijsbegeerte van de deconstructie van de traditie lijdt aan zichzelf en dus moeten we uitkijken naar andere alternatieven.
Eén van die alternatieven, in mijn persoonlijke opinie de onomstotelijke toekomst, is het denken van de 'socioloog' Niklas Luhmann: de meester van functionele analyse. Hij merkt namelijk op dat het domein van de continentale wijsbegeerte begrensd wordt door haar hang naar auteurs die de geschiedenis blijven verdachtmaken, d.w.z., door hun begrippenarsenaal ontleend aan de 'founding fathers' van de psycho-analyse en de ideologiekritiek. Daardoor wordt hun aanduiding van de contingente omstandigheden, verantwoordlijk voor de traditie, begrensd door ... contingente omstandigheden, zoals die zich tonen in het respect voor deze 'founding fathers'. Het is deze dubbele contingentie, de contingentie van contingentie, die deconstructie wel op het spoor is, maar niet als thema maakt van haar denken. De contingentie van contingentie wordt namelijk nog steeds als bedreigend i.p.v. als bevrijdend voor communicatie beschouwd, terwijl Luhmann's denken net die bevrijding tracht te 'functionaliseren' als antwoord op de vraag 'wat is post-metafysiche denken?'. We gaan nu niet in op Luhmann's denken. We hadden namelijk een vergelijking beloofd tussen de betekenisgeving van de stelling dat men niet kan ontsnappen aan metafysica in het ontkennen van metafysica en de betekensgeving van de constructie 'post-metafysisch denken'.
In logische zin kunnen we deze vergelijking besluiten door te stellen dat beide constructies elkaar uitstluiten:als elk denken over 'metafysica' gelijk is aan 'metafyisca', dan is een denken over 'metafysica' zonder zelf 'metafysica' te zijn onmogelijk; vervolgens, als 'post-metafyisch denken' gelijk is aan een denken over 'metafysica' zonder zelf 'metafysica' te zijn, dan is 'post-metafysich denken' onmogelijk. Dit zou de hedendaags wijsgerige redenering zijn die onze beginstelling als waar aanduidt en in die zin is de stelling een hedendaags wijsgerige stelling. Dat sluit echter niet uit dat morgen alle hedendaagse wijsgeren kunnen sterven aan een verbranding van hun geschiedenisboeken. En daarom moeten we de onwaarschijnlijkheid van vooronderstelde criteria van discussies over metafysische systemen blijven thematiseren, om devianties van de traditie een plaats te bieden, zodat die traditie kan blijven bestaan als een traditie van post-traditionele elementen.
Laten we deze stelling nu verder analyseren, zodat we enkele vragen kunnen formuleren die bepaalde elementen uit de gestelde structuur van een andere betekenis bedienen dan die die door een naive lectuur wordt voorondersteld. Want in de lectuur van deze stelling wordt voorondersteld dat we duidelijk kunnen bepalen wat het woord 'metafysica' betekent. Zou 'metafysica' vandaag transcendentaal idealisme heten en morgen absoluut idealisme, dan zou communicatie over onze stelling onmogelijk worden. We hebben dus nood aan een door de tijd heen zichzelf blijvende betekenis van het woord 'metafysica', willen we dit woord gebruiken in een keten van andere woorden, zoals bijvoorbeeld in onze beginstelling. Mischien biedt een blik op de verschillende metafysische systemen meer duidelijkheid over de betekenis van het woord 'metafysica'?
Hoe wordt 'metafysica' bij hen ingevuld, waarbij 'hen' een allegaartje van eigennamen betekent dat rond het woord 'metafysica' geassocieerd wordt? Geen goed antwoord echter op die vraag, want de geschiedenis van de 'metafysica' laat ons zien dat die betekenisgeving niet constant is. De verschillende metafysische systemen varieren sterker, soms zwakker van elkaar, afhankelijk van welke historische lijn geconstrueerd wordt als rode draad in de boeken over de geschiedenis van de metafysica. Maar deze historische vormgeving van 'metafysica' mag dan wel aanleiding geven/gegeven hebben tot verhitte debatten over de ware metafysica, dát er gediscussieerd wordt over 'metafysica', dat valt moeilijk te ontkennen. Zoniet zouden we deze debatten niet categoriseren onder de noemer 'metafysica', maar bijvoorbeeld onder het politieke of esthetische domein van onze cultuur. Kortom, het lijkt zo dat er geschiedenisboeken van metafysica bestaan en dat daarom 'metafysica' betekenisvol is. Dat we ze rangschikken als metafysische discussies is m.a.w de enige zekerheid die we hebben in de betekenisgeving van 'metafysica'. Echter, opnieuw, geen enkel metafysisch systeem op zich, maar slechts de vooronderstelde criteria van de discussies over metafysische systemen, lijken enige duidelijkheid te bieden in ons begrijpen van het woord 'metafysica'.
Een oplettende lezer heeft opgemerkt dat deze analyse van onze stelling zich voltrekt met een bepaalde richting. Ik zal open kaart met u spelen, in de mate van het mogelijke, natuurlijk. De richting waartoe deze woordenketen, geassocieerd rondom onze stelling, zich beweegt, kan geduid worden als een discussie over de betekenis van het post-metafysisch denken; een denkstijl die in onze stelling onmogelijk verwacht geacht wordt. Of die stelling waar dan wel onwaar is, laten we momenteel buiten beschouwing. Laten we eerst nagaan hoe de constructie 'post-metafysische denken' betekenisvol kan zijn. Daarna zullen we onze stelling en deze constructie vergelijken. Om betekenis te geven aan onze constructie hanteren we dezelfde strategie i.v.m 'metafysica', d.w.z, een functionele analyse van deze constructie in haar historische context.
Die context behelst opnieuw de geschiedenisboeken, nu 'cursussen' en 'publicaties' genoemd. In deze 'hedendaagse' geschiedenisboeken wordt er i.v.m het 'post-metafysische denken' verschillende -ismen en eigennamen geassocieerd. Omwille van relevantie en complexiteitsreductie selecteren we enkele aspecten van die associatie. Vooreerst wordt in de 'cursussen' en 'publicaties' van filosofische instituten - we gebruiken het HIW als typevoorbeeld, ook al is dat ongerijmd - de (hedendaagse) stromingen in het wijsgerig landschap gekarakteriseerd a.d.h.v. paradigmatische breuken, die zorgen voor onderbrokenheid van de historische groei van kennis, waarbij steeds wordt benadrukt dat het proces van kennis geen accumulatie, maar eerder dissociatie behelst. Inhoudelijk geeft dit aanleiding tot formuleringen als 'wende'. Men karakteriseert namelijk de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte a.d.h.v. de subjectieve wende met Descartes, de transcendentale wende met Kant en de linguïstische wende met Wittgenstein en Derrida. Bij de laatstgenoemde wende wordt dan vermeld dat er een kloof bestaat in het wijsgerig landschap, die benoemd wordt met de notie van 'two cultures'; de onverzoenbaarheid van de analystische wijsbegeerte en de continentale wijsbegeerte. Daarbij wordt dan ook duidelijk gemaakt dat de metafysica dood is, d.w.z, ze heeft zichzelf uitgeput, waarbij Hegel als typevoorbeeld wordt genomen van de verwerpelijke rationalisering van de geschiedenis in circulaire vorm. Ook wordt de verdachtmaking van de metafysica gethematiseerd, a.d.h.v. het ontstaan van de moderne wetenschap en de filosofen der verdachts, om uiteindelijk terecht te komen in de hedendaagse toestand van postmoderne onoverzichtelijkheid. Tot zover de inhoudelijke boetsering van de historische lijn tot het 'post-metafysische denken', geselecteerd op relevantie van onze poging betekenis te geven aan 'post-metafysisch denken'. Maar wat is nu 'post-metafysisch denken'?
Het antwoord op die vraag geven we, alleen nadat we hebben duidelijk gemaakt dat de wijze van vraagstelling al een zekere visie op 'post-metafysisch denken' behelst. Want in de bevraging van onze constructie zijn er verschillende instrumenten beschikbaar, waarvan we er twee isoleren, met name, 'wat' en 'hoe. ''Wat' is 'post-metafyisch denken'?' is een vraag naar een watheid die schuilt in de datheid van die watheid, zelfs, de watheid zou meer duidelijkheid verschaffen over de datheid van die watheid, d.w.z., scholastisch geformuleerd, in een essentie van een existentie ligt de existentie van de essentie besloten. Anders gezegd: de schijn van zijn kan ons nog steeds toegang verschaffen tot het niet-schijngehalte van zijn. U merkt het, hier raken we een fenomenologisch denken aan. Om complexiteit te vermijden merken we dit gewoon mee op en maken we duidelijk dat in de hedendaagse toestand van postmoderne onoverzichtelijkheid de fenomenologische denkstijl gehanteerd wordt in de continentale wijsbegeerte en in de analytische wijsbegeerte geblasfemiseerd wordt en/of gedemarkeerd wordt als 'common sense', met haar eigen levensnoodzakelijke, doch daarom niet logisch noodzakelijke, waarde. Kortom, de wat-vraag wordt vandaag gethematiseerd als de fenomenologische denkstijl, een denkstijl die tweevoudig geapprecieerd wordt in het wijsgerige landschap, zich tonend in de 'two cultures' in de hedendaagse wijsbegeerte. Die appreciatie wordt meestal verschillend geacht in zoverre de analytische wijsbegeerte zich 'logisch' een weg wil banen door de postmoderne onoverzichtelijkheid, terwijl de continentale wijsbegeerte eerder een 'psycho-sociologica' hanteert. Beiden lijken echter bij te dragen aan de onoverzichtelijkheid.
Laten we ons nu keren tot het tweede instrument dat we gebruiken om betekenis te geven aan 'post-metafysische denken', namelijk, hoe is 'post-metafysische denken' mogelijk? Dit lijkt een rare formulering te zijn en dat is het ook. Want het vraagwoord 'hoe' bevraagt haar subject in termen van functie en niet in termen van imaginaire substanties. Hoe fungeert dit element, in ons geval de constructie van 'post-metafysisch denken'? Dit moet ons niet tot mystieke bevreemding brengen, maar kán beantwoord worden, in dien verstande, dat geen enkel antwoord definitief is, d.w.z., dat geen enkel antwoord het antwoord is, maar slechts een antwoord is. Want als we zoeken naar definitieve antwoorden, blijven we eeuwig zoeken. Dus als we zoeken naar contingente antwoorden, dan kunnen we op zoek gaan naar nieuwe vragen. In die zin incorporeert ook de functionele analyse in termen van 'hoe'-vraagwoorden de fenomenologische denkstijl, echter op een andere manier dan de appreciaties zoals die zich tonen in de analytische en continetale wijsbegeerte. De functionele analyse tracht immers niet een antwoord te bieden aan haar vraag, maar onderzoekt de wijze waarop de beantwoording van de vraag, waarin in ons geval het 'post-metafysische denken' bevraagd wordt, mogelijk gesteld kan worden. En in die zin stelt ze die mogelijkheid als antwoord op de vraag. Het klinkt paradoxaal. En dat is het ook. Maar functionele analyse is noodzakelijk om een antwoord te bieden op een andere veel gestelde vraag: wat na deconstructie?
Deconstructie was het paradepaardje van de continentale wijsbegeerte. D.m.v. een herlezing van de tekstuele traditie werden verdachte motieven van onder het stof gehaald en ter proces gebracht t.a.v. de ahistorische geldigheid van de teksten die die motieven tot resultaat hadden. Weg met de auteur als geaddreseerde eigenaar van teksten en welkome de contingente omstandigheden als nieuwe, anonieme bron van traditie! Maar deconstructie bracht geen redding. Want onderhand is van de deconstructie van de traditie ook al een traditie van deconstructie ontstaan. Er valt in die zin niet te ontsnappen aan de traditie en het is dan ook duidelijk dat, vanuit continentaal perspectief, onze stelling aangaande het 'einde van de metafysica', waar is. Maar, zoals gezegd, de continentale wijsbegeerte van de deconstructie van de traditie lijdt aan zichzelf en dus moeten we uitkijken naar andere alternatieven.
Eén van die alternatieven, in mijn persoonlijke opinie de onomstotelijke toekomst, is het denken van de 'socioloog' Niklas Luhmann: de meester van functionele analyse. Hij merkt namelijk op dat het domein van de continentale wijsbegeerte begrensd wordt door haar hang naar auteurs die de geschiedenis blijven verdachtmaken, d.w.z., door hun begrippenarsenaal ontleend aan de 'founding fathers' van de psycho-analyse en de ideologiekritiek. Daardoor wordt hun aanduiding van de contingente omstandigheden, verantwoordlijk voor de traditie, begrensd door ... contingente omstandigheden, zoals die zich tonen in het respect voor deze 'founding fathers'. Het is deze dubbele contingentie, de contingentie van contingentie, die deconstructie wel op het spoor is, maar niet als thema maakt van haar denken. De contingentie van contingentie wordt namelijk nog steeds als bedreigend i.p.v. als bevrijdend voor communicatie beschouwd, terwijl Luhmann's denken net die bevrijding tracht te 'functionaliseren' als antwoord op de vraag 'wat is post-metafysiche denken?'. We gaan nu niet in op Luhmann's denken. We hadden namelijk een vergelijking beloofd tussen de betekenisgeving van de stelling dat men niet kan ontsnappen aan metafysica in het ontkennen van metafysica en de betekensgeving van de constructie 'post-metafysisch denken'.
In logische zin kunnen we deze vergelijking besluiten door te stellen dat beide constructies elkaar uitstluiten:als elk denken over 'metafysica' gelijk is aan 'metafyisca', dan is een denken over 'metafysica' zonder zelf 'metafysica' te zijn onmogelijk; vervolgens, als 'post-metafyisch denken' gelijk is aan een denken over 'metafysica' zonder zelf 'metafysica' te zijn, dan is 'post-metafysich denken' onmogelijk. Dit zou de hedendaags wijsgerige redenering zijn die onze beginstelling als waar aanduidt en in die zin is de stelling een hedendaags wijsgerige stelling. Dat sluit echter niet uit dat morgen alle hedendaagse wijsgeren kunnen sterven aan een verbranding van hun geschiedenisboeken. En daarom moeten we de onwaarschijnlijkheid van vooronderstelde criteria van discussies over metafysische systemen blijven thematiseren, om devianties van de traditie een plaats te bieden, zodat die traditie kan blijven bestaan als een traditie van post-traditionele elementen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten