maandag 22 oktober 2007

De tusseling

Op 26 maart 2004 schreef ik het volgende:
"Hoe gaat het?" Een vraag die we dagelijks stellen om op de hoogte te blijven van elkaars toestand.
"Hoe gaat het ermee?" Meestal antwoordt men met "Zoals gewoonlijk." of iets in die zin. Soms komt er wel eens iets dat als speciaal wordt aangeduid in de zin van "Weet je wat ik nu heb meegemaakt?" Dan wordt de aandacht getrokken. Dan krijgt het gesprek een richting. Een richting die in eerste instantie bepaald wordt door diegene die als eerste de kans krijgt om zijn ophefmakend verhaal te vertellen. Ik schrijf 'als eerste'. Want meestal volgt er op het verhaal van de ene, een relaas van de ander die in zeker mate hetzelfde of "nog iets veel straffer heeft meegemaakt". Als er dan nog meerdere sprekers deelnemen aan het gesprek, dan ontstaat een wirwar van vertelsels over "maffe stoten", de één de ander overtreffend of verbazend met iets dat allen met nieuwsgierige verstomming slaat. Wanneer zulk een samenspel ontstaat, zijn er altijd personen die eerder luisteren dan spreken, die minder dominant zijn in het richten van het gesprek door nieuwe steeds verbazende elementen aan te halen die het gesprek tot hogere hoogten voert.
Toch hebben zij wel een zekere invloed op de richting van het gesprek. Want geen podium zonder publiek. Maar soms zijn er ook personen die zich afwenden van zulke gesprekken, personen die niets moeten weten van de weetjes van de sociale wereld, zij hebben genoeg aan hunzelf, zij leven in hun eigen wereld die onnoemelijk beter is dan die van de gesprekscompetitie om sociaal kapitaal. Als men aan hun vraagt hoe het ermee gaat, dan antwoorden ze meestal niet. Ofwel spreken ze in gebarentaal door zuchtend de schouders op te halen met of zonder glimlach. Zulk een persoon wordt meestal geduid als een zonderling, een enkeling die nooit geheel opgenomen wordt door een groep, maar gewoon als buitenstaander door het leven wandelt. Sommige personen hebben tijdens hun pubertijd grote problemen gehad met het feit dat ze als zonderling door het leven moesten gaan. Na verloop van tijd echter vergroeien sommige later toch tot een deel van een groep ofwel, maar dat komt heel wat minder voor, kiezen ze voor een solitair bestaan, om nooit meer deel te zijn van iets groter dan zichzelf. Maar die keuze is niet gemakkelijk. Ze komt weinig voor omdat de puberale koppigheid slechts als fase beschikbaar is, waardoor het vasthouden aan die fase problemen geeft omdat de omgeving niet vasthoudt aan die fase, maar doorgroeit in andere richtingen. Maar dat is niet de enige reden waarom de keuze voor een solitair bestaan, afgewend van de massa die zich, volgens de enkeling, slechts bezighoudt met trivialiteiten, niet vaak voorkomt. Ze komt niet vaak voor omdat ze in zekere zin onmogelijk gemaakt wordt. De groep kan namelijk de enkeling in zich opnemen, niet door hem te laten spreken zoals zij doen, maar door hem simpelweg te duiden als buitenstaander van de groep. Buitenstaanders van de groep zijn ook deel van de groep. Maar dan als buitenstaander. Zo is hij dus zowel lid als geen lid van de groep.
Het is deze tussentoestand waarin de enkeling zich bevindt. Hij beweegt zich namelijk tussen het spanningsveld van één pool om deel te zijn van een geheel groter dan zichzelf en van een andere pool om een geheel te zijn op zich. Misschien is daarom 'enkeling' geen goede naam voor de enkeling. Hij lijkt immers omwille van zijn conditie niet los te komen van de groep zonder ook op zichzelf te staan. Hij bevindt zich tussen twee vuren. Noch aan de éne kant, noch aan de andere vindt hij een duurzame plaats om te wonen. Daarom moet de enkeling zich tussen twee vuren in stand houden. En daarom is 'tusseling' misschien een betere naam voor de enkeling dan 'enkeling'.

Geen opmerkingen: