Het bewustzijn representeert zichzelf door middel van een medium ten opzichte van zichzelf. Zo komt het zichzelf tegen, zoals men zichzelf in de spiegel ziet. Met de splitsing tussen zichzelf en de representatie van zichzelf ontstaat een spel van identificatie en vervreemding. Want tegelijkertijd beseft men dat men zichzelf in de spiegel ziet, maar anderzijds beseft men ook dat men niet zichzelf, maar slechts een spiegelbeeld van zichzelf ziet in de spiegel. Zo is een spiegel eigenlijk een portaal tot een vreemde dimensie. Men beseft namelijk dat men toegang heeft tot iets dat gelijkenissen vertoont met zichzelf, maar tegelijkertijd beseft men ook dat het een toegang is die eigenlijk slechts door haar onzuiverheid, zoals in een donkere spiegel, doet denken aan zichzelf. Immers, met het storend opvallen van de spiegel als spiegel (door stof op het spiegelblad of zo) en niet als feitelijke locatie van zichzelf, keert de identificatie al snel om tot vervreemding. Maar, en dit is opmerkelijk: het spel van identificatie en vervreemding is een oneindig heen en weer. Want dat men, na de identificatie, vervreemdt van dat beeld dat men van zichzelf had, is geen reden tot ongeluk. Het is zelfs een noodzakelijke voorwaarde. Het is namelijk net dankzij de onzuivere reflectie van het spiegelblad, dat men zichzelf kan herkennen in het spiegelbeeld als iets dat niet gelijk is aan dat spiegelbeeld. De redenering is namelijk niet: "Ondanks de onzuivere reflectie is er überhaupt nog iets zichtbaar dat gelijkenissen vertoont met zichzelf." Veeleer geldt dat de vervorming-door-representatie constitutief is voor het spiegelbeeld als zelf-beeld van iets dat niet gerepresenteerd wordt. Kortom: in een spiegel vindt je niet jezelf terug, en dit is misschien de dichtste benadering van zichzelf.
maandag 22 oktober 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten