maandag 22 oktober 2007

De geparfumeerde lijfgeur van de massa

In 2002 schreef ik dit artikel in de schoolkrant:

- “Waar begint ge toch aan, wanneer ge filosofie gaat studeren?”
- “Je wordt opgeleid tot filosoof; tot een kritische denker.”
- “En wat betekent dat? Dat ge uw ganse leven ergens op een bergtop zit kritisch te zijn?”
- “Nee, daarvoor moet je naar Tibet gaan. Hier hebben we immers geen bergen, alleen maar bureau’s. Je academische opleiding tot filosoof gebeurt immers voornamelijk achter je bureau. Begeleide zelfstudie heet dat, onze maatschappelijk aanvaarde vorm van ascese: op je eentje zeer veel zitten lezen en schrijven. Echt in het publiek treden met je mening is tot dusver nog onmogelijk, maar er wordt aan gewerkt, zo laat men ons geloven. Desondanks blijven we meestal plakken in de occulte sfeer van de bibliotheeksekte, waar een sacrale stilte heerst voor de talloze grafopschriften die wij boeken noemen. Heilig zij die in Libis staan.
Boeken, encyclopedieën, artikels en bibliografieën, noem maar op, je krijgt het tijdens je opleiding allemaal door je strot geramd. Al gaat het na verloop van tijd natuurlijk gemakkelijker. Je leert om te gaan met onverteerbaar lijkende leerstof. Teksten, die op het eerste gezicht aanlokkelijk en mysterieus lijken of afstotend en helderklaar, worden gesprekspartners die antwoorden geven op vragen, die je niet eens gesteld had. Soms, onderweg in de wirwar van lettersignalen die roepen om erkenning, blijven je ogen wel eens in onbewuste aandacht rusten op een bepaalde passage, een fragment dat je opnieuw en opnieuw leest. Zulk een ervaring betekent meestal dat je een passage hebt ontdekt die bij je in de smaak valt. Eentje die je niet snel wil vergeten, want het herinnert je aan thuis. Dat is leuk. Maar naast het ontdekken van rake passages, moet je natuurlijk ook stomme dingen doen: teksten lezen die niet in de smaak vallen, die smaakloos of ronduit walgelijk zijn. Die moet je dan gewoon maar even slikken. Dat moet je ook leren. Het beste wat je dan kan doen is op zoek gaan naar randjes die toch nog ‘te vreten’ zijn en daaraan beginnen knabbelen, zodat je de speciale saus leert appreciëren die over het lettergeheel is gegoten. Zo versnijd je onsmakelijke teksten tot hapklare brokken; brokken die nog steeds op weerzinwekkende wijze je keelgat verwijden, maar die na verloop van tijd toch nog te pruimen zijn. En misschien krijg je de smaak wel te pakken. Net zoals je olijven leert eten.”
- “Goed, goed, maar het is toch een feit dat de meeste studenten veel leerstof moeten verteren op hun eentje, soms zelfs meer en hardere brokken dan op het filosofische menu? Wat is dan het verschil?” - “Kritisch denken is niet alleen slikken wat men je voorschotelt en de smaak leren appreciëren. Het betekent evenzeer zelf koken en de ingrediënten leren kennen: je spreken oefenen door te schrijven, opdat je ooit je eigen brokkenpap eens kan laten smaken door anderen. Maar let op! Wij schrijven niet als dichters die spelen met onzichtbare betekenissen noch als wetenschappers die schrijven met als motto ‘eerst zien en dan geloven’. Filosofen moeten zo efficiënt mogelijk leren schrijven, dat wil zeggen, leren spreken opdat ze begrepen worden zonder feedback onmogelijk te maken. Luisteren en naar je laten luisteren. Daarom schrijven we niet louter als wetenschappelijke kluizenaars die, onbewust van hun eigen stank, zo smaakloos mogelijk proberen te schrijven: saai, ongekruid en waterig. Noch schrijven wij louter als poëtische thermometers van het zijn, die hun neus ophalen voor smaakloosheid en zich enkel in de gepaste geur welbehagen, als ware zij zelf de bron van bloemenodeur. Nee, wij schrijven vooral irriterend: ongewassen en met open neusgaten; open voor de geur van voorbijgangers in het station. Waarom? Omdat men in onze tijd schrik heeft van vreemde geurtjes. Sterker nog, als men uit walging heden ten dage in het publiek dient te kotsen, dan is het vandaag opportuun om je eigen brouwsel geforceerd van richting te doen veranderen. “Kritiek? Dat moet je inslikken, want het stinkt. Wij willen enkel een lekker parfum dat we allemaal samen dragen. Enkel kritiek op je ongeparfumeerdheid is geldig.”, zo klinkt het wel. We ruiken zelfs bij de buren liever het geparfumeerde zelf. Moeten wij dus als maagzweren in consensus leven? Steeds slikkend om de juiste formele kritiek aan te bieden, zoals we oma’s taart afwijzen? Of is het beter om, met de neus in de lucht, te botsen op elkanders stank en te besnuffelen, te kotsen of te blaffen? De eigenaars van deze inkt nemen de laatste positie in: stank als dank, hondsgewijs. Daarom schrijven wij met het ongemak van de scheet en ontmantelen we het biogas met onze lach. Toon dus je tanden en erken je openheid. Want blaffende honden bijten niet. Bovendien is men vandaag onze lijfgeur vergeten, terwijl onze neus steeds langer en langer wordt. Wij geloven immers nog steeds in het bestaan van een gerecht dat bij iedereen in de smaak valt: onverteerbaar geld. Maar geld valt niet te vreten en smakelijk is het zeker niet. Geld is papier en papier houdt je warm door vuur. Vuur dat nodig is wanneer anderen je niet warm houden. Het is de kilte van opgestapeld goud dat ons verkouden houdt. Snot houdt ons een waas voor de ogen. En zolang zakdoekjes niet gratis zijn, blijven we ons de ziel uit het lijf snuiten. Het is daarom dat wij schrijven; als neusspray in de ijstijd van symbolische generalisering, waarin je niet je lichaam maar je kleren bent. Dankzij tekstpassages, die niet langs je koude kleren afglijden, maar je raken waar het pijn doet, verlossen we ons even van onze snotneus en ruiken we de geur van indringers, van het dennenbos, van huiselijk vuur en warmgebakken brood in de ochtend. Daarom willen we tekstparels niet vergeten: ze laten ons toe met smaak te ademen in de verstikkende ‘ratrace’, de oceaan van olie waarin enkel de sociale zuurstof bubbelt; de geparfumeerde lijfgeur van de massa.”

Geen opmerkingen: