dinsdag 23 oktober 2007

Een buitensubjectieve kritiek op Burms en De Dijn’s cultuurfilosofie

Op 14 oktober 2007 schreef ik het volgende:
De linguïstische wende tot het subject

In 1967 verscheen The Linguistic Turn, onder de redactie van Richard Rorty en voorzien van een inleiding door Rorty zelf. Toen kwam dan ook de notie van de linguistic turn in roulatie onder filosofen. Door middel van deze notie verwoordden zij de idee dat onze toegang tot de werkelijkheid onvermijdelijk bemiddeld wordt door de taal en dat de taal daarom constitutief is voor de werkelijkheid van taalgebruikers (in parafrase van Antoon Braeckman, HW4/00-01, p.32). Of zoals Samuel Ysseling het zegt: ‘Hoe belangrijk de rol is die het woord speelt in ons bestaan, beseft men wanneer men een poging onderneemt alle woorden uit de wereld weg te denken. Alles zou ons dan ontvallen.’ (p.158-Filosoferen. Gangbare vormen van wijsgerig denken).
Met de verschuiving van de filosofische aandacht naar de taal, ontstond echter ook een problematisering van het subject van de filosofische aandacht. Taal is namelijk niet zonder meer eigendom van een subject. Taal overleeft steeds het subject. Het bestond reeds vóór het ontstaan van het subject en zal ook nog bestaan ná het vergaan van het subject. De verschuiving van de filosofische aandacht naar de taal was dan ook inderdaad een verschuiving. Voorheen was de filosofische aandacht namelijk gericht op een transcendentaal subject dat de grondslag was van de filosofische aandacht, in de zin dat wat er als filosofisch relevant verscheen, steeds gegrond was op een redelijk verantwoordbare keuze door datzelfde transcendentaal subject. Sinds Kant kon/mocht de filosofische aandacht immers niet meer gericht worden op traditioneel metafysische themata als de vrijheid van de menselijke ziel, het determinisme van onmenselijke natuur en de ondenkbare verzoening van beide themata in de figuur van een transcendente God.
Sinds Kant kon/mocht de filosofische aandacht zich louter vestigen op de strikte mogelijkheidsvoorwaarden van de menselijke kennis. Transcendental style. Met de linguistic turn bleek echter dat dé mogelijkheidsvoorwaarde van de menselijke kennis (en dus ook van wat als relevant verschijnt voor de filosofische aandacht) niets minder is dan de taal. En omdat de taal ‘transsubjectief’ is, zijn de mogelijkheidsvoorwaarden van een kennend subject tevens ‘transsubjectief’. Bijgevolg bleek het kennen van een subject onderhevig aan iets dat hem voorafgaat en voorbijgaat. En stond het subject dus niet langer in het centrum van menselijke kennisvergaring, maar werd deze gedecentreerd en werd diens centrale positie in het kenproces ingenomen door de taal. Zo kwam het subject, doorheen de linguistic turn, terecht in een situatie waarin, wil het enigszins toegang hebben tot kennis over de werkelijkheid, hij/zij moet rekening houden met iets dat geen rekening met hem/haar houdt. Zoals een eendagsvlieg moet rekening houden met de zon.

De linguïstische invloed op het subject

Het is nu de vraag wat een subject moet doen wanneer het in diens wens om tot kennis te komen van de werkelijkheid zich geconfronteerd weet met een moeten rekening houden met iets dat diens kenactiviteit bepaalt, een iets dat echter in diens bepaling van de kenactiviteit van een subject geen rekening houdt met de wens van dat subject tot kennis van de werkelijkheid. Men kan zich bijvoorbeeld inbeelden dat personen die gezegend waren met de voornaam Adolf na 1945 misschien liever een andere naam hadden gekregen. De associaties die immers met de voornaam van de Fuhrer verbonden waren, zouden zich al te makkelijk kunnen verbinden met andere personen die toevallig ook Adolf heten. Rationeel gezien is deze projectie van eigenschappen van een bepaalde persoon op een ander, bij gratie van een medierend taalteken, natuurlijk onverantwoord. Desalniettemin kan niet ontkend worden dat deze irrationele projecties, mogelijk gemaakt door de associatieve dynamiek van taal, invloed hebben op de bemiddeling van de werkelijkheid en bijgevolg tevens constitutief zijn voor de werkelijkheid van taalgebruikers.
Het is natuurlijk belangrijk zich af te vragen of alle soorten taaltekens even beïnvloedbaar zijn voor zulke rationeel onverantwoorde betekenisverschuivingen en waarom. Men zou bijvoorbeeld, zoals Arnold Burms en Herman De Dijn ondernomen hebben, kunnen stellen dat taaltekens die in verband staan met ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap enigszins makkelijker beinvloed worden door zulke rationeel onverantwoorde betekenisverschuivingen en omdat zulke taaltekens ergens ontsnappen aan de arbitraire relatering van betekenaars en betekenissen. Zo zou een taalgebruiker bijvoorbeeld doorheen een ethisch taalspel het taalteken solidariteit kunnen verbinden met bepaalde levensvormen (solidair zijn met de Indianen, met de boeren, met de Oost-Indische Nederlanders, met een neef, met een tante die in Amerika woont…), waarbij rationeel gezien het aantal verbindingsmogelijkheden in principe oneindig is en de keuze van een verbindingsmogelijkheid willekeurig. Wanneer diezelfde taalgebruiker echter in een pragmatische context blijkt solidair te handelen, is het onwaarschijnlijk dat die handelende taalgebruiker alle mogelijke verbindingsmogelijkheden in een willekeurige volgorde zal verbinden met het taalteken solidariteit. Veeleer is het niet uitgesloten dat die taalgebruiker zich in diens solidaire handelen kan laten verleiden door de ruimtelijke nabijheid van bijvoorbeeld de boeren en door de bloedverwantschap met bijvoorbeeld een neef. Burms en De Dijn’s stelling dat taaltekens die in verband staat met ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap dusdanig ‘weerstand’ bieden aan de associatieve dynamiek van taal onder de vorm van rationeel onverantwoorde betekenisverschuivingen, kan men ook formuleren in termen van Ferdinand De Saussure.
Zoals men weet, merkt De Saussure op dat er in de associatieve dynamiek van taal een dubbele arbitrariteit gemoeid is. Die dubbele arbitrariteit heeft te maken met De Saussere’s bepaling van het taalteken als iets dat gekenmerkt is door een intern en een extern verschil. Zo is het taalteken hond een eenheid van de actieve betekenaar “hond” die het passief betekende ‘hond’ betekent (A is de eenheid van hoe “A” zich onderscheidt van ‘A’). Bovendien heeft het taalteken hond ook een identiteit door diens onderling negatief verschil met andere taaltekens, zoals kat, boom, glas, … (A verschilt van B, C, D, …). Zowel in de eenheid als in de identiteit is er nu volgens De Saussure sprake van arbitrariteit. Zo is het, in verband met de eenheid van het taalteken, niet noodzakelijk (maar arbitrair) dat de actieve betekenaar “hond” betekenis geeft aan het betekende ‘hond’. Evenzeer zou “hond” ook betekenis kunnen geven aan ‘boom’. En zo is het ook niet noodzakelijk (maar arbitrair) dat het passief betekende ‘hond’ betekenis kan gegeven worden door de actieve betekenaar “hond”. Evenzeer zou ‘hond’ ook betekenis kunnen gegeven worden door “kat”. Ook is het zo dat, in verband met de identiteit van het taalteken, het niet noodzakelijk is (maar arbitrair) dat het taalteken hond het taalteken hond is. Veeleer heeft dit te maken met een negatief verschil met andere taaltekens. Het verschil tussen hond en kat, boom, glas is vergelijkbaar met het verschil tussen de trein van 12u00 en de trein die vóór de trein van 12u00 komt (die van 11u00) of de trein die na de trein van 11u00 en 12u00 komt, (namelijk die van 13u00). Elk taalteken is een taalteken zoals elke trein een trein is. Zij verschillen slechts van elkaar qua relationele verhoudingen. In die zin merkt De Saussure op dat er in de associatieve dynamiek van taal een dubbele arbitrariteit gemoeid is, met name, ten aanzien van de eenheid en de identiteit van het taalteken.
Volgens Saussure zijn er echter uitzonderingen op de regel dat taaltekens op dubbel arbitraire wijze een eenheid zijn van betekenaar en betekende en een identiteit hebben door onderling verschil met andere taaltekens. Die uitzonderingen betreffen de taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen. Zo is er bijvoorbeeld een uil, de oehoe die genaamd is naar diens akoestische roep, met name, “oehoe”. Hierbij is er geen sprake van een intern verschil (en is er dus sprake van een éénzijdige arbitrariteit door louter het extern verschil): de actieve betekenaar “oehoe” betekent een passief betekende ‘oehoe’, wat inderdaad niet zo speciaal is, maar met de activiteit van de betekenaar wordt het passief betekende aanwezig gesteld op een manier die verschilt van andere taaltekens. In bijvoorbeeld het taalteken hond stelt de actieve betekenaar “hond” het passief betekende ‘hond’ slechts aanwezig door een afwezigheid van zulk een aanwezigheid die wel werkzaam is bij taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen. Wanneer men immers een uil nabootst, stelt men deze – doorheen de simulatie van een kenmerkend aspect – aanwezig. En deze aanwezigheid wordt niet (of: slechts afgeleid) bewerkstelligd door taaltekens die geen materiele eigenschappen nabootsen. Veeleer bewerkstelligen ‘gewone’ taaltekens hoogstens de aanwezigheid van de afwezigheid van zulk een, door ‘ongewone’ taaltekens bewerkstelligde, aanwezigheid van het passief betekende.

Burms en De Dijn’s transsubjectieve kaders van cultuurgebonden tradities als verantwoordelijk voor de distinctie ‘gewone’/‘ongewone’ taaltekens

Echter, hoe wordt het onderscheid bepaald tussen ‘gewone’ taaltekens (taaltekens waarin een dubbele arbitrariteit werkzaam is) en ‘ongewone’ taaltekens (taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen en waarin slechts door een extern verschil arbitrariteit werkzaam is)? Hier hebben Burms en De Dijn een antwoord op geformuleerd. Om namelijk te weten dat bijvoorbeeld een oehoe een taalteken is dat de materiele eigenschap van een bepaalde uil, met name diens roep “oehoe”, nabootst dient men ruimtelijk nabij zulk een uil te zijn (geweest). Woont men bijvoorbeeld in de woestijn en hoort men iemand vertellen over een oehoe, dan is het niet onwaarschijnlijk dat die taalgebruiker uit de woestijn dit taalteken zal behandelen als een ‘gewoon’ taalteken dat getekend is door een dubbele arbitrariteit inzake diens eenheid en identiteit.
Een bijna vergelijkbare redenering gaat op voor taaltekens in verband met bloedverwantschap. Ook hier wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘gewone’ taaltekens (met dubbele arbitrariteit) en ‘ongewone’ taaltekens (met arbitrariteit slechts door een extern verschil). Om namelijk te weten dat bijvoorbeeld Ah een taalteken is dat de materiele eigenschap nabootst van iets waarmee men zich kan identificeren, dient men genetisch verwant te zijn met de taalgebruiker die dit taalteken gebruikt. Wordt men bijvoorbeeld als tweeling ruimtelijk gescheiden en loopt men elkaar na vele jaren tegen het lijf, dan is het niet onwaarschijnlijk dat de tweeling het taalteken Ai (dat ze bijvoorbeeld uitroepen tijdens hun botsing) behandelt als een ‘ongewoon’ taalteken, omdat ze het beiden fenotypisch vergelijkbaar gebruiken (omdat ze bijvoorbeeld eenzelfde fysiologisch-akoestische reflex vertonen in verband met dit taalteken). Bovendien, en dit is niet zo in het geval van taaltekens die in verband staan met ruimtelijke nabijheid, is het niet onwaarschijnlijk dat ook een buitenstaander die vergelijkbaarheid van de taalgebruikende tweeling kan opmerken en bijgevolg het taalteken Ai ook als een ‘ongewoon’ taalteken behandelt, met name, als een taalteken dat een materiele eigenschap nabootst en waarin slechts een extern verschil voor arbitrariteit zorgt.
Kortom, in termen van De Saussure’s uitzonderingen op de regel dat er een dubbele arbitrariteit werkzaam is in de eenheid en identiteit van taaltekens, is het duidelijk dat ‘ongewone’ taaltekens een materiele eigenschap nabootsen en dat dit veronderstelt dat deze taaltekens in verband staan met ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap. Het zijn deze ‘ongewone’ taaltekens die sterk beïnvloedbaar zijn voor rationeel onverantwoorde betekenisverschuivingen. Wat echter verantwoordelijk is voor het onderscheid tussen ‘ongewone’ en ‘gewone’ taaltekens is bepaald door ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap. Hoogstens kan men hierover twee dingen opmerken: iets over het private/publieke karakter van verschillende soorten taaltekens en iets over de rol van aanwezigheid/afwezigheid van het betekende dat een betekenaar betekent.
Zo kan men vooreerst opmerken dat taaltekens die in verband staan met ruimtelijke nabijheid een privater karakter hebben (alleen zij die ‘erbij’ zijn (geweest), hebben weet van het louter extern verschillend taalteken) en dat taaltekens die in verband staan met bloedverwantschap een publieker karakter hebben (zij die ‘het’ zijn en zij die daar ‘erbij’ zijn (geweest), kunnen weet hebben van het louter extern verschillend taalteken). Vervolgens kan men ook opmerken dat taaltekens die in verband staan met ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap (‘ongewone’ taaltekens) het betekende aanwezig stellen op een manier die verschilt van taaltekens die niet in verband staan met ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap (‘gewone’ taaltekens). Zo verschilt een aaneenrijging van ‘gewone’ van een aaneenrijging van ‘ongewone’ taaltekens omdat die laatste bijvoorbeeld expliciet de dimensie van ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap benadert. Zo kan ik bijvoorbeeld schrijven over hoe u nu deze tekst leest. En ook: zo kan ik een bepaalde uitdrukking die in mijn familie a l’aise is, gebruiken, om aan te geven hoe een lezer mogelijk getuige is van de dimensie van bloedverwantschap.
Zo wordt dan ook duidelijk dat ‘gewone’ taaltekens slechts iets aanwezig stellen dat louter de afwezigheid van de aanwezigheid is die ‘ongewone’ taaltekens aan het betekende geven. Wat ‘gewone’ taaltekens met andere woorden aan het betekende geven is een tekort aan ‘ongewone’ aanwezigheid. Een tekort dat bovendien slechts voelbaar is in contrast met de aanwezigheid die ‘ongewone’ taaltekens aan het betekende geven. Het zou daarom verkeerd zijn om te stellen dat alle taaltekens getekend zijn door zulk een tekort. Dit is echter wel wat sinds de taaltheorie van de psychoanalyticus Jacques Lacan als vanzelfsprekend wordt geacht onder filosofen.

Kritiek op Lacan’s taaltheorie

Lacan’s taaltheorie gaat tevens in op de wijze waarop taaltekens louter door een extern verschil met andere taaltekens bepaald worden. Daarbij stelt hij echter dat elk taalteken getekend is door een radicale afwezigheid van een betekende. Terwijl echter kan worden aangetoond dat zulk een afwezigheid slechts geldt voor ‘gewone’ taaltekens en niet voor ‘ongewone’ taaltekens. Bovendien zou de afwezigheid van het betekende, volgens Lacan geldig voor alle taaltekens, afgeleid zijn van een zekere gevoeligheid voor hoe ‘ongewone’ taaltekens het betekende aanwezig stellen. De afwezigheid van het betekende zou immers een aanwezig zijn van het afwezig zijn van de aanwezigheid die ‘ongewone’ taaltekens aan het betekende geven.
Zoals men weet modificeert Lacan’s taaltheorie de taaltheorie van De Saussure. Volgens Lacan is de dubbele arbitrariteit van het taalteken problematisch en wel omdat het taalteken volgens De Saussure tegelijkertijd getekend is door een intern (als eenheid van een actieve betekenaar en een passief betekende) én een extern verschil (als identiteit van onderlinge verschillende taaltekens). Volgens Lacan maakt het externe verschil echter het interne verschil problematisch. Voor Lacan zijn er immers geen betekenaaronafhankelijke betekenden gegeven. Het betekende is zonder meer afwezig. En het kan slechts aanwezig worden gesteld in de mate dat ook het betekende als een betekenaar functioneert. Daarom stelt Lacan het betekende ook voor als een betekenaar. Het betekende wordt zo bepaald door een momentaan bevriezen van de associatieve dynamiek van de taal ten opzichte van een bepaald betekenaar als het laatste woord over het betekende van een betekenaar. Het is in die zin dat Lacan stelt dat la chaine signifiante bepalend is voor het betekende van elke betekenaar.
Bijvoorbeeld: het taalteken boom wordt door De Saussure geanalyseerd als een eenheid van iets van de orde der betekenaars (“boom”) en iets van de orde van het betekende (‘boom’). Bij Lacan wordt dit taalteken echter geanalyseerd in termen van een verschil binnenin dezelfde orde (die der betekenaars) (“boom” is niet gelijk aan ““boom””). In die zin reduceert Lacan de arbitrariteit die bij De Saussure werkzaam was in het interne verschil van een taalteken (“A” onderscheidt zich van ‘A’) tot de arbitrariteit die bij de Saussure werkzaam was in het externe verschil (A is niet gelijk aan B, C, D, …). En dit onder de vorm van ‘A’ is niet-onderscheidbaar van “A” omdat “A” niet gelijk is aan “B”, “C”, “D”, … .
Echter, zoals bleek, is zulk een éénzijdige arbitrariteit (louter door een extern verschil bepaald) slechts werkzaam in het geval van taaltekens die in verband staan met ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap. Alleen bij taaltekens die materiele eigenschappen nabootsen (bijvoorbeeld: oehoe) is het betekende (‘oehoe’) inderdaad niet-onderscheidbaar van diens betekenaar (“oehoe”), dat wil zeggen, niet-onderscheidbaar voor zij die ten opzichte van ‘het’ ‘erbij’ zijn (geweest). Met het uitroepen van “oehoe” brengt men de oehoe aanwezig. Men kan bijvoorbeeld in het bos staan en luisteren naar een oehoe in de struiken, wanneer plotseling een vocalist uit de struiken stapt en duidelijk maakt dat er geen oehoe was, maar wel een nabootsing van een materiele eigenschap van de oehoe door de betekenaar “oehoe”, die aldus het betekende ‘oehoe’ overtuigend aanwezig stelde. Wanneer men echter in het bos staat en men hoort roepen “hond”, dan brengt dit de hond niet aanwezig, omdat het betekende ‘hond’ niet een materiele eigenschap nabootst die kan overtuigen van een aanwezigheid van de hond, maar die slechts teert op een afwezigheid van bijvoorbeeld het betekende van de betekenaar “woefwoef”. Als Lacan bijgevolg stelt dat alle taaltekens gekenmerkt zijn door een éénzijdige arbitrariteit (vanuit een louter extern verschil met andere taaltekens), dan is dat simpelweg verkeerd.
Kortom, de afwezigheid van het betekende is niet zo radicaal als Lacan ons heeft doen geloven. Er zijn in de taal nog steeds taaltekens die het betekende aanwezig kunnen stellen. En die taaltekens (‘ongewone’ taaltekens) onderscheiden zich, door de dimensies van ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap, van taaltekens die dat slechts in afgeleide zin kunnen (‘gewone’ taaltekens), omdat zij niet onmiddellijk in verband staat met dimensies waardoorheen taalgebruikers een verbindend onderscheid aanvoelen tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ taaltekens (omdat ze bijvoorbeeld ook in een bos met uilen leven of bijvoorbeeld ook een fenotypisch vergelijkbare reflex vertonen in verband met een of ander taalteken).

Taaltheoretische kritiek op Lacan’s subjecttheorie

Dat Lacan in zijn taaltheorie ergens verkeerd was, heeft diens weerslag op zijn subjecttheorie. Die subjecttheorie is prototypisch ten tijde van de linguistic turn. Lacan’s subjecttheorie staat immers in functie van de idee dat onze toegang tot de werkelijkheid onvermijdelijk bemiddeld wordt door de taal en dat de taal daarom constitutief is voor de werkelijkheid. Vanuit die idee is het namelijk niet moeilijk om inzake een subjecttheorie te stellen dat onze toegang tot de werkelijkheid van het subject tevens onvermijdelijk bemiddeld wordt door de taal en dat de taal daarom constitutief is voor de werkelijkheid van het subject. Lacan’s subjecttheorie stelt dan ook overeenkomstig dat het subject pas verschijnt van zodra het door een betekenaar gerepresenteerd wordt in de taal.
Voorafgaandelijk aan die representatie in de taal door een betekenaar is er voor Lacan geen sprake van een subject, maar spreekt hij slechts van een imago, een beeld dat men van zichzelf heeft en waarmee men probeert samen te vallen, wat nooit lukt. In deze imaginaire orde heerst met andere woorden volgens Lacan de logica van: “A” onderscheidt zich (ongelukkigerwijze) van ‘A’. Terwijl men in de symbolische orde (de orde waarin men gerepresenteerd wordt in de taal) ‘A’ reduceert tot een “A”, een betekenaar die identiteit wordt verschaft op een louter negatief verschillende wijze ten opzichte van andere betekenaars (“B”, “C”, “D”, …). Echter, die reductie is niet radicaal, deze elimineert niet totaal het passief betekende ‘A’ dat vraagt om een actieve betekenaar “A”, vanwaaruit dan weer die gelukkigmakende eenheid van het taalteken zou kunnen tot stand komen. Daarom heerst er volgens Lacan in de symbolische orde een tekort aan aanwezigheid van een, door een actieve betekenaar in aanwezigheid te brengen, passief betekende. En het is omdat dit tekort werkzaam is dat een keten van betekenaars telkens weer opnieuw het laatste bevroren betekende van een betekenaar omsmelt tot een betekenaar die een betekende betekent (tot) op het moment dat de keten van betekenaars weer stilvalt. Vanuit deze werkzaamheid van het tekort in de symbolische orde formuleert Lacan dan ook het onophefbare verlangen naar de aanwezigheid van het betekende als constitutief voor het subject.



Voorbij Lacan?

Wanneer echter blijkt dat de afwezigheid van het betekende niet zo radicaal is als Lacan zelf geloofde, wat zijn dan de gevolgen van deze taaltheoretische kritiek voor Lacan’s subjecttheorie? Zeer kort gezegd: het gevolg is dat de notie van het tekort aan de aanwezigheid van een, door een actieve betekenaar in aanwezigheid te brengen, passief betekende en de notie van het verlangen naar de aanwezigheid van het betekende als constitutief voor het subject, slechts opgaat in het geval van ‘gewone’ taaltekens, dat wil zeggen, taaltekens die getekend zijn door een aanwezig zijn van het afwezig zijn van de aanwezigheid van het betekende zoals die door ‘ongewone’ taaltekens wordt gegeven aan het betekende. Het tekort aan de aanwezigheid van een, door een actieve betekenaar in aanwezigheid te brengen, passief betekende is met andere woorden een tekort aan een soort aanwezigheid die kenmerkend is voor de aanwezigheid die door taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen, gegeven wordt aan het betekende.
In die zin is datgene wat bij Lacan niet elimineerbaar is doorheen de reductie van de ‘A’ tot een “A” (die slechts in onderling verschil met andere betekenaars bestaat, met name, hetgeen dat vraagt om een actieve betekenaar “A”, vanwaaruit dan weer die gelukkigmakende eenheid van het taalteken zou kunnen tot stand komen) lokaliseerbaar in de taal en wel onder de vorm van taaltekens die materiele eigenschappen nabootsen. De orde van het imaginaire lijkt zo werkzaam te zijn in de symbolische orde: de orde van taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen zijn gekenmerkt door een aanwezigheid van het betekende, waarnaar de orde van ‘gewone’ taaltekens verlangt. Men kan het ook als volgt voorstellen: in de struiken verstopte vocalisten die een hond nabootsen door “hond” te roepen zijn jaloers op vocalisten die een oehoe nabootsen door “oehoe” te roepen, omdat laatstgenoemden met de betekenaar “oehoe” adequaat anderen kunnen overtuigen dat er inderdaad een ‘oehoe’ in de struiken verstopt zit. De frustratie van de taalgebruiker (het niet gezegd krijgen), die volgens Lacan constitutief is voor het subject, is dus veeleer de jaloezie van een taalgebruiker die geen toegang heeft tot taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen. Een toegang die, zoals Burms en De Dijn hebben opgemerkt, bepaald wordt door de dimensies van ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap.
Lacan’s subjecttheorie gaat met andere woorden slechts op in het geval van ‘gewone’ taaltekens. Bij Lacan zijn subjecten immers als ‘gewone’ taaltekens gerepresenteerd in de taal. En daardoor is hun subjectiviteit getekend door een tekort aan aanwezigheid van het betekende, een aanwezigheid die wel gegeven wordt in het geval van taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen (‘ongewone’ taaltekens) en die daarom als meer dan wenselijk verlangd wordt. Een uiterst cruciale vraag is nu of een subjecttheorie slechts gebaseerd kan worden op een representatie van het subject onder de vorm van een ‘gewoon’ taalteken. Kan men zich iets voorstellen bij een subjecttheorie waarbij het subject in taal gerepresenteerd wordt onder de vorm van een ‘ongewoon’ taalteken (dat wil zeggen: als een taalteken dat een materiele eigenschap nabootst en dusdanig niet getekend is door het aanwezig zijn van het afwezig zijn van de aanwezigheid van het betekende)? Zoja, hoe zou zulk een subjecttheorie er dan uitzien?

Hoe een niet-Lacaniaanse taaltheoretische subjectheorie voor te stellen

Eigen aan ‘ongewone’ taaltekens is dat ze enigszins ontsnappen aan de dubbele arbitrariteit die werkzaam is in de associatieve dynamiek van de taal. Veeleer zijn deze taaltekens slechts gekenmerkt door een éénzijdige arbitrariteit, dat wil zeggen, louter gekenmerkt door het externe verschil met andere taaltekens, in plaats van ook gekenmerkt te zijn door een intern verschil als eenheid van betekenaar en betekende. Deze taaltekens ontsnappen immers aan het laatstgenoemde interne verschil, omdat de actieve betekenaar niet gebruikt kan worden zonder tevens ook steeds (althans voor zij die doorheen ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap daar toegang toe hebben) het passief betekende aanwezig te stellen. Telkens wanneer die actieve betekenaar gebruikt wordt, is het immers mogelijk, dat - minstens voor hen die er toegang toe hebben - het betekende overtuigend aanwezig wordt gesteld. In deze gevallen geldt met andere woorden niet dat, zoals Lacan beweert, de betekenaar (altijd) ‘de dood’ is van het ding. Neen, net door de betekenaar kan dit ding geboren worden (ook al is het nagebootste ding misschien zelfs niet meer aanwezig).
Stel bijvoorbeeld dat de oehoe binnen enkele jaren is uitgestorven. Stel bovendien dat diegene die bij dit ‘het’ ‘erbij’ waren, verzameld worden in een bos. Opeens horen zij uit de struiken “oehoe” opkomen. Bijgevolg kunnen zij prima facie gegrepen worden door de overtuiging, afhankelijk van hoe overtuigend de nabootsing was, dat de oehoe verre van uitgestorven is, maar zich slechts heeft teruggetrokken in de bossen. In zulke gevallen geldt dus dat, tegenin wat Lacan beweert, de betekenaar niet ‘de dood’, maar net ‘het leven’ kan inroepen van het ding. Echter, dit vitaliserend vermogen is slechts mogelijk op voorwaarde dat er getuigen zijn van het ding. Een getuigenis die, zoals Burms en De Dijn opmerkten, bepaald wordt door ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap.
Burms en De Dijn maken niet de bedenking dat het door de dimensies van ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap bepaalde onderscheid tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ taaltekens (die een materiele eigenschap nabootsen) een mogelijke kritiek inhoudt aan het adres van Lacan’s taaltheoretische subjecttheorie. Misschien werden zij ten opzichte van deze kritische bedenking weerhouden door het gedachte-experiment dat cruciaal is in hun beschrijving, waarbij ze de reeds genoemde dimensies van ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap aanhalen, van de menselijke verlangens. Burms en De Dijn’s beschrijving van de menselijke verlangens wordt namelijk niet weinig begrond door het gedachte-experiment van de ervaringsmachine. Zij mobiliseren dit gedachte-experiment tegen de mening dat het de mens enkel te doen is om aangename ervaringen.
Stel daarom dat er een ervaringsmachine wordt gemaakt die aangename ervaringen kan bewerkstelligen bij diegene die er wordt aan aangesloten. Zo zou men, eenmaal aangesloten, dan toch ervaren hoe het moet zijn indien X van je houdt; indien je die felbegeerde job hebt gekregen, indien je op dat moeilijke examen bent geslaagd. Wat die ervaringsmachine echter nodig heeft om te functioneren is een programma waarin wordt bepaald wat (on)aangenaam is voor welke gebruiker. Gebruiker A zou bijvoorbeeld helemaal niet gediend zijn dat X van hem/haar houdt, terwijl dit voor gebruiker B de hemel op aarde zou betekenen. Vanuit deze redenering zou men dan zich kunnen aansluiten aan de ervaringsmachine met als programma: aangenaam is voor mij het antwoord op de vraag wat aangenaam is voor mij. En dit zou de ervaringsmachine niet kunnen behandelen, omdat het onderscheid tussen het aangename en het onaangename is niet in termen van het (on)aangename uit te drukken.
De ervaringsmachine werkt met andere woorden slechts dankzij een programmatische input van wat (on)aangenaam is en pas aan de hand van die input kan het die (on)aangenaamheid laten ervaren. Bijgevolg, zo concluderen Burms en De Dijn, is het de mens niet enkel te doen om aangename ervaringen. Wil de mens immers überhaupt aangename ervaringen kennen, dan dient het ook rekening te houden met wat het onderscheid tussen aangename ervaringen bepaalt. En wat dat onderscheid bepaalt, dat zijn voor Burms en De Dijn - in de lijn van de linguistic turn - cultuurgebonden tradities die reeds vóór het ontstaan van het subject en ook ná het vergaan van het subject betekenis geven - middels de associatieve dynamiek van de taal - aan het (on)aangename.
Het is deze positie die Burms en De Dijn misschien weerhouden heeft van een kritiek op Lacan. Want indien Lacan’s taaltheoretische subjecttheorie niet opgaat voor taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen, en indien zulke ‘ongewone’ taaltekens een aanwezigheid kunnen geven aan iets dat echter niet noodzakelijk aanwezig is zoals men de aanwezigheid van een ding doorgaans begrijpt, dat wil zeggen, dat zulke ‘ongewone’ taaltekens kunnen leiden tot een bedrog (vergelijkbaar met het ‘bedrog’ door de ervaringsmachine) van zij die overtuigd zijn door het gebruik van deze taaltekens door een overtuigende taalgebruiker, dan gaat Lacan’s taaltheoretische subjecttheorie niet op voor taaltekens die kunnen leiden tot een bedrog van zij die overtuigd zijn door het gebruik van deze taaltekens door een overtuigende taalgebruiker. In het voorbeeld van de uitgestorven uil: zullen de getuigen van de oehoe niet beter af zijn zonder dat een overtuigende taalgebruiker de betekenaar “oehoe” vanuit de struiken doet weerklinken? Worden zij niet bedrogen? Of worden ze overtuigd door een re-animatie van wat eigenlijk radicaal afwezig zou moeten zijn?
Kortom, wat er op het spel staat in de keuze tussen een Lacaniaanse, taaltheoretische subjecttheorie en een niet-Lacaniaanse, taaltheoretische subjecttheorie is de vraag of de overtuigingskracht van taaltekens die materiele eigenschappen nabootsen, bepaald wordt door de nabootsende taalgebruiker, dan wel bepaald wordt door de graad van overtuigbaarheid van de getuigen van het ding (dat nagebootst wordt). We laten de bepaling door de nabootsende taalgebruiker privé en maken de bepaling door de overtuigbaarheidsgraad van de getuigen van dit ding publiek. Het is namelijk de overtuigbaarheidsgraad van de getuigen die Burms en De Dijn parten speelt in verband met hun gedachteexperiment van de ervaringsmachine. Dit gedachteexperiment veronderstel immers dat de overtuigbaarheidsgraad van getuigen bepaald wordt binnen het trasnssubjectieve kader van cultuurgebonden tradities. Terwijl aantoonbaar is dat men ook overtuigd kan worden door iets dat buiten zulk een transsubjectief kader van cultuurgebonden tradities valt (iets buitensubjectiefs).

Een buitensubjectieve kritiek op Burms en De Dijn’s cultuurfilosofie

Burms en De Dijn halen de ervaringsmachine aan vanuit een perspectief dat buiten de ervaringsmachine zou staan. Zij halen het belang aan van het niet in termen van het (on)aangename codeerbare onderscheid tussen het aangename en het onaangename, om aan te tonen dat de mens in diens verlangen naar aangename ervaringen rekening moet houden met iets dat onkenbaar is in termen van dat verlangen, doch wel verantwoordelijk is voor hetgeen waarnaar dat verlangen verlangt, met name, het aangename. Wat Burms en De Dijn echter miskennen is de mogelijkheid van een perspectief dat binnen de ervaringsmachine zou staan. Burms en De Dijn lijken immers in het gedachte-experiment een keuze open te laten voor het zich al dan niet aansluiten aan de ervaringsmachine. Terwijl men zou kunnen speculeren dat die keuzevrijheid miskent dat men niet kan kiezen om zich al dan niet aan te sluiten. Men is aangesloten en dit heeft men niet zelf gekozen. Men is reeds overtuigd vóórdat men daar zelf – subjectief gezien - van overtuigd is. Het is nu de vraag wat voor standpunt deze voorafgaandelijke overtuiging van de subjectieve overtuiging kan viseren. Het is dit standpunt dat niet bepaald wordt door een transubjectief kader van cultuurgebonden tradities. Het gaat veeleer om een buitensubjectief standpunt. Een standpunt dat voorbij gaat/is gegaan aan de grenzen van een transsubjectief kader van cultuurgebonden tradities.
Cultuurgebonden tradities bestaan immers vooral uit teksten en instituten die georganiseerd zijn op grond van (uitdaagbare interpretaties van) die teksten. Echter, die teksten bestaan vooral uit ‘gewone’ taaltekens. Hierdoor voeden cultuurgebonden tradities vooral een taaltheoretische subjecttheorie a la Lacan. De organisatie van de instituten die zich baseren op teksten, wordt namelijk telkens uitgedaagd door taalgebruikers die, bepaald door ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap, weerstand bieden tegen de dubbele arbitrariteit die werkzaam is in de taal der geschiedschrijving. De wijze waarop een historische gemeenschap (een gemeenschap met een schriftelijke cultuur) omgaat met die weerstand biedende uitdagingen is die van de verslaving. Zo verwordt een gebruiker van taaltekens die een materiele eigenschap nabootsen immers tot een gebruiker van ‘gewone’ taaltekens. De structuur van die verwording van animale mimese (Lacan: imago) naar humaniserende erkenning (Lacan: subject) is de structuur van de verslaving. Overeenkomstig is Lacan’s taaltheoretische subjectheorie dan ook gestructureerd als een verslaving. Een analyse van deze structuur toont echter aan dat de overtuigbaarheidsgraad van getuigen, niet louter bepaald wordt door cultuurgebonden tradities (die vanuit ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap het onderscheid bepalen tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ taaltekens). Men kan namelijk afkicken (met een serieuze kater, een cold turkey, en mogelijk herval) van het gebruik van ‘gewone’ taaltekens. Het is echter de vraag of dit ook mag!
De structuur van verslaving bestaat erin dat men gebruik maakt van een middel dat eerst omwille van diens aangename ervaringen gebruikt werd, maar naarmate de duur van het gebruik leidt het gebruik tot een gebruik waarin de aangename ervaringen niet langer centraal staan in het gebruik van het middel. Dat middel is de taal. Men maakt namelijk gebruik van taal bestaande uit taaltekens die aangename ervaringen opwekken doordat die taaltekens materiele eigenschappen nabootsen, maar naarmate de duur van het gebruik van die taal leidt het gebruik van die taal tot een gebruik waarin de aangename ervaringen die opgewekt werden door taaltekens die materiele eigenschappen nabootsen niet langer centraal staan in het gebruik van die taal. Wanneer het gebruik met andere woorden de motivatie tot het gebruik decentreert, dat wil zeggen, niet langer als centraal leidmotief hanteert, dan verwordt de gebruikte taal met taaltekens die materiele eigenschappen nabootsten tot een taal met ‘gewone’ taaltekens. Deze ‘verveling’ die maakt dat een taal na verloop van tijd overgaat van een ‘ongewone’ taal naar een ‘gewone’ is waarschijnlijk een overgangsbepaling van het onderscheid tussen ‘ongewone’ en ‘gewone’ taaltekens. Het is echter een overgangsbepaling die enigszins onafhankelijk is van de bepaling door cultuurgebonden tradities van het onderscheid tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ taaltekens.
Het is de verveling van de verslaafde die door diens overdreven taalgebruik op iets botst dat zelfs die cultuurgebonden tradities overstijgt. Wat de cultuurgebonden tradities immers bepalen is waar de grens ligt tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ taaltekens. Wat de verveelde taalverslaafde echter bepaalt is de grens van wat overdreven taalgebruik is en wat niet. En wat niet overdreven taalgebruik is, pas daar spelen de cultuurgebonden tradities een rol. Echter, dit wil niet zeggen dat de verveelde taalverslaafde boven de cultuurgebonden tradities staat die bepalend zijn voor het onderscheid tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ taaltekens. Veeleer heeft alleen de verveelde taalverslaafde pas oog voor de werking van dat onderscheid, daar waar de niet overdrijvende taalgebruikers bepaald worden door het onderscheid tussen ‘gewone’ en ‘ongewone’ taaltekens doorheen de dimensies van ruimtelijke nabijheid en bloedverwantschap.

Geen opmerkingen: