Op 4 februari 2007 schreef ik het volgende na een les als oud-student te hebben gevolgd:
‘Ik ben erbij’. Een uitspraak die men vanuit verschillende contexten kan betekenis geven: men kan deze uitspraak bv. zowel in de mond leggen van een betrapte crimineel (ik ben betrapt door de politie) als in die van een uitgekozen laureaat (ik ben geselecteerd voor de finale). Een meer linguïstische geest zou bovendien opmerken dat deze uitspraak een vervoegd werkwoord bezit, met name, ‘zijn’.
Hierbij zou deze linguisticus dan kunnen vragen hoe het werkwoord ‘zijn’ in deze uitspraak functioneert: als een zelfstandig werkwoord, een hulpwerkwoord of als een koppelwerkwoord met gezegde? Het werkwoord ‘zijn’ functioneert in deze uitspraak niet als een hulpwerkwoord omdat er geen ander werkwoord is dat geholpen wordt in diens vervoeging (er staat niet: ik ben erbij gekomen). Er is immers maar één werkwoord: ‘zijn’. Rest dan nog de vraag: zelfstandig werkwoord of koppelwerkwoord? Het werkwoord ‘zijn’ functioneert in deze uitspraak ook niet als een zelfstandig werkwoord omdat men de niet-werkwoordelijke rest ‘erbij’ niet kan wegnemen zonder dat de betekenis van de uitspraak grondig verandert (‘ik ben’ zegt niet hetzelfde als ‘ik ben erbij’: met ‘ik ben’ kan men niet een crimineel met een laureaat specifiek vergelijken). Het erbij-zijn heeft een eigen bijdrage tot de betekenis van de uitspraak en bijgevolg koppelt het werkwoord ‘zijn’ de niet-werkwoordelijke rest met het onderwerp ‘ik’. Kortom, de linguisticus zou concluderen dat het werkwoord ‘zijn’ in de uitspraak ‘ik ben erbij’ functioneert als een koppelwerkwoord ‘erbij-zijn’.
Nu dat dit duidelijk is, wil ik me afvragen of er ook anderen ‘erbij’ kunnen zijn. Dit ‘ik’ in ‘ik ben erbij’ wil namelijk ook dat anderen ‘erbij’ kunnen zijn. Daarom grijpen we terug naar Aristoteles. Aristoteles stelt vier kenmerken in van een uitspraak als een well formed formula: quantor, subject, copula en predikaat. Dit maakt dat ‘ik ben erbij’ wordt tot: quantor + ‘ik’ + ‘ben’ + ‘erbij’. Er zijn drie quantormodaliteiten: alle, geen, sommige (er is minstens één). Er zijn drie copulamodaliteiten: zelfstandig, helpend en koppelend. Dit betekent dan qua quantor: ‘alle anderen zoals ik zijn erbij’, ‘geen enkele zoals mij is erbij’ of ‘minstens één zoals mij is erbij’. Maar, zou men kunnen opmerken, wat betekent dat dan dat men is zoals mij? Zoals we reeds hebben gezegd: dit ‘ik’ wordt bepaald vanuit een koppeling door ‘zijn’ met een niet-werkwoordelijke rest die niet los kan worden gemaakt zonder identiteitsverlies van het ‘ik’ als dat ‘ik’ en geen ander. Welnu, in de uitspraak ‘ik ben erbij’ bleek ‘erbij’ een eigenschap eigen aan ‘ik’. Bijgevolg, als er gesproken wordt van anderen zoals mij, dan wordt er gesproken van anderen die ook erbij zijn.
Maar dan zou men kunnen vragen in samenspraak met die anderen die ook erbij zijn zoals ik erbij ben, waarbij is men dan? Als zowel ‘ik’ erbij ben als anderen zoals dat ‘ik’ erbij ben, erbij zijn, waarbij is men dan? Het antwoord lijkt wel: men is bij het ‘er’. Blijkbaar is dit een plaats waar ‘ik’ en anderen zoals ‘ik’ kunnen bijzijn. Een plaats die echter niet zomaar spatiotemporeel lokaliseerbaar is op één punt, maar veeleer lijkt verstrooid te zijn over een tijdsverloop met begin en einde dat structureel in zichzelf inhaakt om bij zichzelf te zijn. Een plaats waar zowel betrapte criminelen als uitgekozen laureaten thuis zijn ondanks dat ze op een andere manier ‘erbij’ zijn.
Hierbij zou deze linguisticus dan kunnen vragen hoe het werkwoord ‘zijn’ in deze uitspraak functioneert: als een zelfstandig werkwoord, een hulpwerkwoord of als een koppelwerkwoord met gezegde? Het werkwoord ‘zijn’ functioneert in deze uitspraak niet als een hulpwerkwoord omdat er geen ander werkwoord is dat geholpen wordt in diens vervoeging (er staat niet: ik ben erbij gekomen). Er is immers maar één werkwoord: ‘zijn’. Rest dan nog de vraag: zelfstandig werkwoord of koppelwerkwoord? Het werkwoord ‘zijn’ functioneert in deze uitspraak ook niet als een zelfstandig werkwoord omdat men de niet-werkwoordelijke rest ‘erbij’ niet kan wegnemen zonder dat de betekenis van de uitspraak grondig verandert (‘ik ben’ zegt niet hetzelfde als ‘ik ben erbij’: met ‘ik ben’ kan men niet een crimineel met een laureaat specifiek vergelijken). Het erbij-zijn heeft een eigen bijdrage tot de betekenis van de uitspraak en bijgevolg koppelt het werkwoord ‘zijn’ de niet-werkwoordelijke rest met het onderwerp ‘ik’. Kortom, de linguisticus zou concluderen dat het werkwoord ‘zijn’ in de uitspraak ‘ik ben erbij’ functioneert als een koppelwerkwoord ‘erbij-zijn’.
Nu dat dit duidelijk is, wil ik me afvragen of er ook anderen ‘erbij’ kunnen zijn. Dit ‘ik’ in ‘ik ben erbij’ wil namelijk ook dat anderen ‘erbij’ kunnen zijn. Daarom grijpen we terug naar Aristoteles. Aristoteles stelt vier kenmerken in van een uitspraak als een well formed formula: quantor, subject, copula en predikaat. Dit maakt dat ‘ik ben erbij’ wordt tot: quantor + ‘ik’ + ‘ben’ + ‘erbij’. Er zijn drie quantormodaliteiten: alle, geen, sommige (er is minstens één). Er zijn drie copulamodaliteiten: zelfstandig, helpend en koppelend. Dit betekent dan qua quantor: ‘alle anderen zoals ik zijn erbij’, ‘geen enkele zoals mij is erbij’ of ‘minstens één zoals mij is erbij’. Maar, zou men kunnen opmerken, wat betekent dat dan dat men is zoals mij? Zoals we reeds hebben gezegd: dit ‘ik’ wordt bepaald vanuit een koppeling door ‘zijn’ met een niet-werkwoordelijke rest die niet los kan worden gemaakt zonder identiteitsverlies van het ‘ik’ als dat ‘ik’ en geen ander. Welnu, in de uitspraak ‘ik ben erbij’ bleek ‘erbij’ een eigenschap eigen aan ‘ik’. Bijgevolg, als er gesproken wordt van anderen zoals mij, dan wordt er gesproken van anderen die ook erbij zijn.
Maar dan zou men kunnen vragen in samenspraak met die anderen die ook erbij zijn zoals ik erbij ben, waarbij is men dan? Als zowel ‘ik’ erbij ben als anderen zoals dat ‘ik’ erbij ben, erbij zijn, waarbij is men dan? Het antwoord lijkt wel: men is bij het ‘er’. Blijkbaar is dit een plaats waar ‘ik’ en anderen zoals ‘ik’ kunnen bijzijn. Een plaats die echter niet zomaar spatiotemporeel lokaliseerbaar is op één punt, maar veeleer lijkt verstrooid te zijn over een tijdsverloop met begin en einde dat structureel in zichzelf inhaakt om bij zichzelf te zijn. Een plaats waar zowel betrapte criminelen als uitgekozen laureaten thuis zijn ondanks dat ze op een andere manier ‘erbij’ zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten