Deze scriptie schreef ik op 12 januari 2007:
De hedendaagse toestand van het filosofieonderwijs in Vlaanderen is dubbelzinnig: enerzijds is de maatschappelijke ontkenning van filosofie in het leerplan bron van Europese schaamte, anderzijds is deze schaamte de voedingsbodem voor engagement ter maatschappelijke erkenning van filosofie in het leerplan. Hoe dient men filosofieonderwijs te verdedigen als een fundamentele bouwsteen van de maatschappij? Enkele antwoorden. Filosofie bengelt volgens SEC tussen wetenschap en literatuur. Het is te subjectief om wetenschappelijk te zijn en te objectief om literair te zijn. SEC stelt dat de differentia specifica van filosofie ten aanzien van wetenschap en literatuur gelegen is in diens thematische studie van de geschiedenis: zowel empirisch onderzoek van de natuur als tekstanalyse van gezaghebbende auteurs wordt in de filosofie thematisch gebruikt en bekritiseerd in de vorm van historisch geïnformeerde vraagstukken die in functie staan van een zinvolle synthese. Primo, wat kan deze invulling van filosofie betekenen voor het filosoferen zelf en secundi, wat mist deze invulling van filosofie?
1. Indien filosofie bengelt tussen wetenschap en literatuur, dat wil zeggen, indien de filosoof de methodologische contradictie dient te verteren tussen empirisch onderzoek van de natuur en tekstanalyse van gezaghebbende auteurs, dan dient deze zich te bedienen van een hybride schema dat zowel wetenschappelijk als literair door de beugel kan. De deelverzameling van wetenschap en literatuur moet bijgevolg gespecificeerd worden: wat is wetenschappelijke literatuur en wat is literaire wetenschap?
Het eerste oxymoron vooronderstelt dat ook wetenschap substantieel gekenmerkt is door literaire organisatie. Zo is bijvoorbeeld Aristoteles een gezaghebbende auteur ten aanzien van empirisch onderzoek van de politieke natuur. Nog: tekstanalyse van zijn logische geschriften heeft een onmiskenbare indruk nagelaten ten aanzien van een pre-moderne ‘wetenschappelijke methode’. Het tweede oxymoron vooronderstelt dat ook literatuur substantieel gekenmerkt is door wetenschappelijke organisatie. Zo zijn vele literaire klassiekers bronnen van metaforen en symbolen die natuurlijke mechanismen op niet-exacte manier aanschouwlijk maken. Dát literatuur in deze zin kan functioneren, getuigt van een bepaalde structurele overeenkomst tussen wetenschappelijke feiten en literaire ficties. Een mogelijke bepaling van die structurele koppeling is bijvoorbeeld de psychoanalyse van Lacan.
Kortom, een gezaghebbende auteur ten aanzien van empirisch onderzoek van de politieke natuur is bijvoorbeeld Aristoteles als vader van de logica en een empirische uitwerking van tekstanalyse ter onderzoek van de menselijke natuur is bijvoorbeeld de psychoanalyse van Lacan. Een hybride schema dat filosofen helpt om de methodologische contradictie zonder maagzweren aan te gaan kan bijgevolg bijvoorbeeld opgebouwd worden a.d.h.v de logica van Aristoteles en de psychoanalyse van Lacan.
Door deze opbouw staat het hybride schema in het teken van politieke argumentatie en psychische gezondheid. Daar waar politieke argumentatie gemeten wordt in termen van universele, particuliere en singuliere uitspraken ten aanzien van de ordening van de werkelijkheid, daar wordt psychische gezondheid gemeten in termen van de Reële, Imaginaire en Symbolische ordening van de werkelijkheid. Deze twee maatstaven staan echter in onderling verband: de werkzaamheid van het Reële is gekenmerkt door een taalgebruik van universele ontkennende uitspraken, van het Imaginaire door universele bevestigende uitspraken, en van het Symbolische door particuliere uitspraken in een subcontraire relatie.
Met dit in het achterhoofd kan het filosofieonderwijs, als thermometer van het laatste woord over de pijngrens tussen het publieke en het private, mijn inziens een nieuwe wending krijgen.
2. Nadat we zijn nagegaan wat SEC’s invulling van filosofie kan betekenen voor het filosoferen zelf, gaan we dieper in op wat deze invulling mist. Mijn inziens is SEC’s invulling een moderne invulling en mist deze een premodern aspect dat essentieel is ten aanzien van politieke argumentatie en psychische gezondheid, met name, de notie van creativiteit en motorische vaardigheden (b). In de klas mondt deze notie uit in de lessen esthetica en lichamelijke opvoeding (a). Pre-moderne filosofie wordt m.i gevat in Mens sana in corpore sano. Filosofieonderwijs kan bijgevolg verdedigd worden als een methodologische kruisbestuiving van wetenschap en literatuur (SEC), maar dient bovendien verdedigd te worden als een praktisch experiment van kunst en beweging. In de klas mondt dit uit in een onderling verband van wiskunde (exacte wetenschap), talen (literatuur), esthetica (kunst) en lichamelijke opvoeding (beweging).
a) Dit onderling verband is een cirkelstructuur ‘à la Piaget’, bepaald door de dynamische relatie tussen leerkracht en leerling. Bij exacte wetenschappen is deze relatie radicaal asymmetrisch ten gunste van de leerkracht: de leerkracht is expert ter zake en de leerling een domme leek. Bij esthetica is deze relatie radicaal asymmetrisch ten gunste van de leerling: de leerling is overgeleverd aan creativiteit en de volwassen leerkracht is getemperd in diens fantasie. Bij talen is deze relatie relatief asymmetrisch ten gunste van de leerkracht: de leerkracht kent een intenser gebruik van de taal die hij/zij deelt met de leerling. Bij lichamelijke opvoeding is deze relatie relatief asymmetrisch ten gunste van de leerling: de leerling kent een intenser gebruik van de lichaamstaal die hij/zij deelt met de leerkracht.
Vertrekpunt is de seksuele differentie: meisjes vertrekken ‘normaal’ vanuit de literatuurrelatie (‘babbelkiekens’) en jongens (‘sjotters’) ‘normaal’ vanuit de bewegingsrelatie. Tijdens de Imaginaire fase komen meisjes ‘normaal’ terecht in een kunstrelatie (‘romantische fantasten’) en jongens ‘normaal’ in een wetenschapsrelatie (‘ingenieurs’). Na de voltrekking van de oedipale crisis ontnuchteren meisjes ‘normaal’ middels een lichamelijk spel met de pijngrens tot een volwassen wetenschapsrelatie ter compensatie van de jeugdige kunstrelatie en verzachten jongens ‘normaal’ middels een talig spel met de pijngrens tot een volwassen kunstrelatie ter compensatie van de jeugdige wetenschapsrelatie. De normatieve bepaling van het vertrekpunt en het verloop is een politieke kwestie. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de relatie tussen wetenschap en kunst absoluut oppositioneel is, met literatuur en beweging als relatieve middentermen. Hierin verschijnt SEC’s methodologische probleem van filosofie als een pseudo-probleem: eigenlijk draait het rond de oppositie wetenschap / kunst en niet zozeer (doch ook) rond de oppositie wetenschap / literatuur.
b) De premoderne nood aan een praktisch experiment van kunst en beweging toont zich in de maatschappelijke onderscheidingsdrift in en van postmoderne jeugdsubculturen. Het object van esthetica (zintuiglijke harmonie) valt ten prooi aan een drugscultuur en het object van lichamelijke opvoeding (lichamelijke harmonie) vindt zijn gading in de organisatie van die drugscultuur, met name, in de danstempels her en der verspreid. Deze decadente ontwikkeling is het resultaat van het ontstaan van een postmoderne tegencultuur. In die zin is het cruciaal aansluiting te maken met een premoderne invulling van filosofie, waarin eerder de individuele harmonie van lichaam en geest centraal staat en minder de collectieve kennis van zaken.
Overigens mag deze invulling niet verward worden met de antimoderne variant daarvan: hierin wordt de collectieve harmonie van lichaam en geest (politieke lichaamsmetafoor) gelijkgesteld met de individuele kennis van zaken (kennistotalitarisme van de Partij). Een desalniettemin vruchtbare vorm van deze gevaarlijke variant zijn jeugdbewegingen: deze zorgen middels knutselen en sport & spel voor een normatieve leidraad die nagenoeg afwezig is in het moderne onderwijs, doch wel valselijk geclaimd wordt als bron van die leidraad.
Kortom, filosofieonderwijs is een fundamentele bouwsteen van de maatschappij in de mate dat die politieke argumentatie en psychische gezondheid methodologisch reguleert als een postmoderne spanningstoestand tussen natuurlijke feiten en gezaghebbende auteurs in een praktisch experiment van jeugdige creativiteit en lichamelijke bewegingsvrijheid. Alleen zo kan m.i. de publieke ruimte niet onmogelijk worden en kan de democratie in lichaam en geest als een beroepsideaal voorgesteld worden aan jong en oud door jong en oud. (1212 woorden)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten